Betrokkene was werkzaam als [functie] bij een school en meldde op 31 maart 2015 dat de politie bij hem thuis een inval had gedaan wegens bezit van kinderpornografisch materiaal. Appellante schortte hem direct per 1 april 2015 en verlengde de schorsing tot 1 juli 2015. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd per 1 augustus 2015, waarna partijen een vaststellingsovereenkomst sloten met beëindiging per die datum.
Betrokkene vroeg een WW-uitkering aan, die het UWV toekende. Appellante maakte bezwaar en stelde dat betrokkene verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank wees het beroep af omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarde van een subjectief dringende reden, mede omdat de werkgever niet onverwijld had gehandeld.
De Centrale Raad van Beroep herzag dit oordeel en stelde een nieuw toetsingskader vast waarbij niet de ontslagroute, maar de aard en ernst van de gedragingen bepalend zijn. Het bezit van kinderporno vormt een dringende reden. De werkgever handelde zorgvuldig gezien de omstandigheden, maar dit doet niet af aan de ernst van de gedraging. De uitkering was ten onrechte toegekend, maar is inmiddels beëindigd. Appellante kan schadevergoeding bij het UWV aanvragen.