Eiser, sinds 2013 beroepsmilitair bij de Koninklijke Landmacht, werd aanvankelijk in 2016 ontslagen wegens het bezit van harddrugs. Dit ontslag werd in 2023 door de Centrale Raad van Beroep vernietigd wegens onvoldoende overtuiging dat het bezit had plaatsgevonden.
Eiser werd echter in december 2023 opnieuw ontslagen, ditmaal op grond van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling voor druggerelateerde delicten gepleegd tussen september en november 2015. Eiser betoogde dat het ontslag onevenredig was en dat een minder verstrekkende ontslaggrond passend zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de veroordeling en de aard van de delicten een vergaande betrokkenheid bij drugscriminaliteit aantonen, wat onverenigbaar is met het militaire ambt en het defensiebeleid. Het ontslag is daarom gerechtvaardigd en niet onevenredig, mede omdat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die dit anders doen beoordelen.
De rechtbank benadrukt dat verweerder de vrijheid heeft om een passende ontslaggrond te kiezen en dat dit in deze zaak voldoende is gemotiveerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.