Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
.
Het oordeel van de Raad
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene werkte tot oktober 2018 bij een bank en ontving daarna een WW-uitkering tot juli 2020, gevolgd door onbetaalde praktijkervaring en een dienstverband vanaf januari 2021. Het UWV stelde het dagloon voor de WIA-uitkering vast op basis van het loon en de WW-uitkering in de referteperiode van maart 2020 tot februari 2021, waarbij loonloze maanden buiten beschouwing werden gelaten.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene als herintreder moest worden beschouwd en dat de WW-uitkering buiten beschouwing moest blijven, wat leidde tot vernietiging van het UWV-besluit. Het UWV stelde in hoger beroep het dagloon bij door loonloze maanden te schrappen en handhaafde dat betrokkene geen herintreder is volgens artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit.
De Raad volgde het standpunt van het UWV, oordeelde dat betrokkene niet als herintreder kan worden aangemerkt omdat hij in de referteperiode loon ontving, en dat het dagloon niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en tegen het tweede besluit ongegrond, en veroordeelde het UWV in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: Het beroep tegen het herziene UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en het dagloon is correct vastgesteld.