ECLI:NL:RBZWB:2026:1039

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
24/8005 WIA en 24/8007 WIA
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WIAArt. 14 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 15 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 16 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 4:95 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op hogere WIA-uitkering en terugvordering voorschotten door UWV

Eiseres diende een aanvraag in voor een WIA-uitkering na arbeidsongeschiktheid door ziekte. Het UWV kende haar aanvankelijk voorschotten toe, maar wees de WIA-uitkering primair af wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en vorderde de voorschotten terug omdat zij geen WW-uitkering had aangevraagd. Na bezwaar keerde het UWV de WIA-uitkering alsnog toe en verklaarde het bezwaar tegen de terugvordering ongegrond.

Eiseres voerde aan dat de berekening van het dagloon discriminerend was vanwege haar parttime studie naast werk, waardoor zij minder kon werken en verdienen. Zij stelde dat dit als loonloze periode moest worden aangemerkt en dat zij recht had op een hogere uitkering. Ook betwistte zij de terugvordering van voorschotten.

De rechtbank oordeelde dat het UWV het dagloon correct had vastgesteld volgens het Dagloonbesluit en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een afwijking rechtvaardigden. De situatie van eiseres betrof geen loonloze periode en er was geen sprake van discriminatie. De terugvordering van voorschotten was feitelijk verrekend met de toegekende WW-uitkering, waardoor eiseres geen actueel belang had bij het beroep tegen de terugvordering. Het beroep tegen de vaststelling van het dagloon werd ongegrond verklaard en het beroep tegen de terugvordering niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van het WIA-dagloon is ongegrond en het beroep tegen de terugvordering van voorschotten niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/8005 WIA en 24/8007 WIA

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het UWV), verweerder,
(gemachtigde: drs. S. Barto).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de hoogte van de uitkering van eiseres op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en de terugvordering van ten onrechte betaalde voorschotten op de WIA-uitkering. Eiseres is het daarmee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen de vaststelling van het WIA-dagloon ongegrond is en tegen de terugvordering niet-ontvankelijk. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Met het besluit van 23 maart 2023 heeft het UWV aan eiseres met ingang van 8 april 2023 voorschotten op haar WIA-uitkering toegekend.
2.1.
Het UWV heeft de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering met het besluit van
1 augustus 2023 (primair besluit I) afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2024 (bestreden besluit I) op de bezwaren van eiseres heeft het UWV alsnog een WIA-uitkering aan eiseres toegekend.
Met het besluit van 4 september 2023 (primair besluit II) heeft het UWV de voorschotten op de WIA-uitkering teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2024 (bestreden besluit II) heeft het UWV het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het beroep tegen bestreden besluit I is geregistreerd onder zaaknummer 24/8007 en het beroep tegen bestreden besluit II onder zaaknummer 24/8005.
Het UWV heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3.1
Eiseres is met ingang van 1 september 2019 als cliëntbegeleider werkzaam geweest bij [bedrijf] B.V. en met ingang van 15 januari 2021 voor 20 uur per week bij de [stichting] . Voor laatstgenoemd werk is zij op 9 april 2021 uitgevallen als gevolg van de ziekte van Crohn. Op het moment van uitval volgde eiseres de HBO-studie Verpleegkundige.
3.2
Op 16 januari 2023 heeft eiseres bij het UWV een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering.
3.3
Met het besluit van 23 maart 2023 heeft het UWV met ingang van 8 april 2023 voorschotten van € 630,53 per maand op deze uitkering toegekend.
3.4
Met primair besluit I van 1 augustus 2023 heeft het UWV geweigerd aan eiseres een WIA-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiseres wordt aangeraden een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aan te vragen. Er is verder vermeld: ‘Vraag deze uiterlijk op 15 augustus 2023 aan, zodat u uw inkomsten houdt. Als u een WW-uitkering krijgt, dan proberen zij het te veel ontvangen voorschot daarmee te verrekenen. Hierover krijgt u van ons dan een brief. Als wij beslissen dat u geen WW-uitkering krijgt, dan hoeft u het voorschot in de meeste gevallen niet terug te betalen. Maar als u geen WW-uitkering aanvraagt, of u vraagt deze te laat aan, dan moet u het WIA-voorschot wel aan ons terugbetalen.’
Met primair besluit II van 4 september 2023 heeft het UWV de voorschotten ten bedrage van € 2.422,06 van eiseres teruggevorderd, omdat zij over dezelfde periode geen WW-uitkering heeft aangevraagd.
3.5
Op 12 september 2023 heeft eiseres bij het UWV een WW-uitkering aangevraagd.
Met het besluit van 13 september 2023 heeft het UWV aan eiseres over de periode van
8 april 2023 tot en met 7 november 2023 een WW-uitkering toegekend. Met deze uitkering zijn de voorschotten op de WIA-uitkering verrekend.
3.6
Eiseres heeft tegen de primaire besluiten I en II bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit I
3.7
Met bestreden besluit I heeft het UWV het bezwaar van eiseres tegen primair besluit I gegrond verklaard en aan haar alsnog met ingang van 8 april 2023 een WIA-uitkering toegekend, gebaseerd op een WIA-dagloon van € 44,73.
Het UWV stelt dat het dagloon is vastgesteld overeenkomstig het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Hierbij is rekening gehouden met het sv-loon dat eiseres heeft genoten bij verschillende (ex)werkgevers in de referteperiode. De wet biedt geen ruimte om van een andere methodiek uit te gaan. Daarnaast behoort eiseres niet tot de specifieke doelgroep waarop de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 juli 2024 zien. Er wordt bij eiseres geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt op grond van ‘handicap’. Bovendien is in de situatie van eiseres geen sprake van een loonloze periode.
Bestreden besluit II
3.8
Met bestreden besluit II heeft het UWV het beroep tegen primair besluit II ongegrond verklaard.
Het UWV stelt dat op het moment dat de aanvraag van eiseres om een WIA-uitkering met primair besluit I werd afgewezen de terugvordering van voorschotten is ontstaan. Omdat eiseres toen nog geen WW-uitkering had aangevraagd kon het voorschot niet met een ander recht verrekend worden. Met het besluit van 13 september 2023 is alsnog met ingang van
8 april 2023 een WW-uitkering toegekend. De terugvordering aan voorschotten is met die uitkering verrekend. Inmiddels is aan eiseres met bestreden besluit I met ingang van 8 april 2023 een WIA-uitkering toegekend. Omdat eiseres over eenzelfde periode geen recht kan hebben op twee uitkeringen, zal het UWV de WIA-uitkering verrekenen met de WW-uitkering.
Standpunt van eiseres
Bestreden besluit I
4.1
Eiseres stelt dat de hoogte van de WIA-uitkering discriminerend is omdat zij parttime naar school gaat en daardoor minder heeft kunnen werken. Het aantal uren dat zij naar school gaat zonder dat daarvoor loon wordt betaald moet in mindering worden gebracht dan wel te worden aangemerkt als loonloze periode. Het was voor eiseres namelijk niet mogelijk in die periode loon te verdienen.
4.2
Eiseres stelt verder dat zij niet kan rondkomen van € 675,61 per maand. Zij meent dan ook recht te hebben op een hogere WIA-uitkering of een aanvulling.
Bestreden besluit II
4.3
Eiseres stelt dat het besluit tot terugvordering onjuist is. In bezwaar is aan eiseres alsnog met terugwerkende kracht een WIA-uitkering toegekend. Omdat de terugvordering geen standhoudt had het bezwaar gegrond verklaard moeten worden met toekenning van proceskosten.
Standpunt van het UWV
5. Met betrekking tot bestreden besluit II heeft het UWV in beroep aanvullend gesteld dat eiseres in de aanvullende bezwaargronden van 22 november 2023 heeft geopperd het voorschot te verrekenen met de WW. Het voorschot was echter al verrekend met de WW. Op het moment dat primair besluit II werd genomen was er een goede grond om de voorschotten terug te vorderen. Er was dan ook geen reden om het bezwaar tegen dat besluit gegrond te verklaren en proceskosten toe te kennen.
Toetsingskader
6. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
Bestreden besluit I
7.1
De rechtbank stelt vast dat het UWV het WIA-dagloon van eiseres heeft berekend conform de systematiek en regels van het Dagloonbesluit. Eiseres heeft dat ook niet betwist. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het UWV van die berekeningswijze af had moeten wijken omdat dat tot een onevenredige uitkomst zou leiden.
7.2
Eiseres stelt daarbij primair dat haar situatie dient te worden gelijkgesteld met de situaties waarvan de CRvB heeft geoordeeld dat sprake is van verboden onderscheid/ discriminatie en loonloze periodes [1] . Subsidiair heeft eiseres gesteld dat zij niet kan rondkomen van haar WIA-uitkering en daarom recht heeft op een hogere uitkering. De rechtbank heeft deze stelling opgevat als dat eiseres meent recht te hebben op een WIA-uitkering op het niveau van het sociaal minimum. Deze grond heeft eiseres op zitting laten vervallen. Hierover zal de rechtbank dan ook geen oordeel geven.
7.3
Wanneer het, zoals hier, gaat om een gebonden besluit dat is gebaseerd op een algemeen verbindend voorschrift, kunnen bijzondere omstandigheden maken dat toepassing van het algemeen verbindend voorschrift in het voorliggende geval zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit betekent dat uiteindelijk moet worden beoordeeld of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat toepassing van het algemeen verbindende voorschrift in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst zou leiden. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor belanghebbende onredelijk bezwarend is [2] .
7.4
Naar het oordeel van de rechtbank is bestreden besluit I niet onredelijk bezwarend voor eiseres. Aan het Dagloonbesluit ligt het beginsel ten grondslag dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van de welvaart in de gehele referteperiode voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid (historisch dagloon). Hieraan is inherent dat periodes waarin minder loon is genoten tijdens de referteperiode, een negatieve invloed hebben op de hoogte van het dagloon. De besluitgever heeft hiermee rekening gehouden en maakt daarbij geen onderscheid naar de reden waarom in een periode minder loon is ontvangen [3] . Niet-gerealiseerde toekomstverwachtingen spelen daarbij geen rol [4] . Niet gesteld kan worden dat het dagloon geen redelijke afspiegeling is van het welvaartsniveau van eiseres voorafgaande aan haar arbeidsongeschiktheid, nu zij in de referteperiode in deeltijd heeft gewerkt en daarmee samenhangende inkomsten heeft gehad. Het dagloon is een afspiegeling van die (inkomens)situatie. De rechtspraak over loonloze periodes is in dit geval niet van toepassing. Van loonloze periodes kan alleen sprake zijn als er in een periode in het geheel geen sv-loon is genoten [5] . Dat is hier niet aan de orde. Van discriminatie is de rechtbank evenmin gebleken. Er zijn meer mensen die kiezen voor een studie naast werk. Dat maakt niet dat in het geval van eiseres, die die keuze ook heeft gemaakt en daardoor minder heeft kunnen werken en verdienen, zou moeten worden afgeweken van het historisch dagloon of van berekening van het dagloon overeenkomstig de bepalingen van het Dagloonbesluit. Het besluit van het UWV tot vaststelling van het WIA-dagloon houdt naar het oordeel van de rechtbank daarom stand.
Bestreden besluit II
7.5
Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen daarvan nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om een beroep inhoudelijk te beoordelen indien de indiener daarbij een actueel en reëel belang heeft.
In de uitspraak van 2 april 2024 heeft de CRvB [6] geoordeeld dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten geen zelfstandig procesbelang meer oplevert, tenzij het bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is.
7.6
De rechtbank overweegt dat de betaalde voorschotten, die teruggevorderd werden, feitelijk zijn verrekend met de toegekende WW-uitkering (gevolgd door verrekening van die WW-uitkering met de uiteindelijk toegekende WIA-uitkering). Gemachtigde van eiseres heeft op zitting gesteld dat de terugvordering van de voorschotten daarmee feitelijk is rechtgetrokken, maar niet juridisch. Daarmee erkent hij dat eiseres geen actueel en reëel belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit II en een inhoudelijk oordeel over dat besluit feitelijk geen betekenis kan hebben. Daarnaast doen de hiervoor benoemde uitzonderingssituaties zich hier niet voor. Het beroep tegen bestreden besluit II is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen bestreden besluit I is ongegrond en tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk. Eiseres heeft daarom geen recht op vergoeding van het griffierecht of de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I ongegrond;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.D. Sebel, griffier, op 19 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Artikel 13
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Dagloonbesluit werknemersverzekeringen
Artikel 14
Onder loon wordt in dit hoofdstuk verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wfsv met dien verstande dat niet onder loon wordt begrepen:
a. de toeslagen en aanvullingen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van die wet;
b. een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 ten aanzien waarvan de werkgever met toestemming van de inspecteur van de rijksbelastingdienst geen correctiebericht als bedoeld in artikel 28a van de laatstgenoemde wet heeft ingediend; en
c. een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW.
Artikel 15
1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever van dat loon opgave heeft gedaan.
Artikel 16
1. Het dagloon van uitkeringen op grond van de Wet WIA en de WAO is de uitkomst van de volgende berekening:
(A – B + C) / D
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in de referteperiode heeft genoten bij alle werkgevers;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die in de referteperiode als loon zijn uitbetaald ten laste van een opgebouwd bedrag en de bedragen die in die periode als loon zijn uitbetaald ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag;
C staat voor de in de referteperiode opgebouwde bedragen ten behoeve van vakantiebijslag dan wel ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag; en
D staat voor 261.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:95
1. Het bestuursorgaan kan vooruitlopend op de vaststelling van een verplichting tot betaling van een geldsom een voorschot verlenen indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een verplichting tot betaling zal worden vastgesteld, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.
4. Betaalde voorschotten worden verrekend met de te betalen geldsom. Onverschuldigd betaalde voorschotten kunnen worden teruggevorderd.

Voetnoten

1.Uitspraken van de CRvB van 30 juli 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1523 t/m 1525)
2.Bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 november 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1645)
3.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1541 en 1582)
4.Zie de uitspraken van de CRvB van 18 december 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1879) en van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 november 2025 (ECLI:NL:RBZWB:2025:7511)
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 2 november 2023 ECLI:NL:CRVB:2023:2033)
6.Bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 2 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:635) en 28 augustus 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1389)