Appellant was vanaf 16 februari 2018 in dienst bij een werkgever en meldde zich op 30 april 2018 ziek. Het UWV stelde het dagloon vast op basis van een refertejaar van 1 april 2017 tot en met 31 maart 2018, waarbij het loon over 31 loondagen werd verdeeld omdat appellant een herintreder was. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van de WIA-uitkering en stelde dat 1 mei 2018 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moest gelden, waardoor een hoger dagloon zou volgen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van 30 april 2018 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en dat het loon dat in april 2018 was uitbetaald over maart 2018 niet meegenomen hoefde te worden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de gewijzigde loonaangifte van de werkgever en de lange arbeidsverleden tot een hogere uitkering moesten leiden vanwege evenredigheid.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 30 april 2018 is en dat het UWV de referteperiode en het aantal loondagen correct heeft vastgesteld. De gewijzigde loonaangifte van maart 2022 werd niet gevolgd omdat deze niet aannemelijk maakte dat de oorspronkelijke gegevens onjuist waren. Ook is er geen grond om af te wijken van het Dagloonbesluit vanwege evenredigheid. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.