Appellant, met de Bulgaarse nationaliteit, vroeg studiefinanciering aan vanaf september 2020. De minister kende studiefinanciering toe vanaf oktober 2020, maar wees september 2020 en de periode mei tot en met december 2021 af. De rechtbank vernietigde het besluit deels en kende studiefinanciering toe voor juni 2021, maar wees september 2020 en september tot december 2021 af.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant op 1 september 2020 nog geen migrerend werknemer was en daarom geen recht had op studiefinanciering over die maand. De vermeende indirecte discriminatie werd verworpen omdat appellant pas vanaf 13 september 2020 werknemer werd en dus pas toen gelijkgesteld kon worden met Nederlandse studenten.
Voor de periode september tot en met december 2021 stelde de Raad vast dat appellant tijdens zijn stage bij [naam B.V.] wel degelijk als migrerend werknemer moet worden aangemerkt. De stageovereenkomst, de aard van het werk, de gezagsverhouding en de vergoeding wezen op reële arbeid. De minister had daarom studiefinanciering moeten toekennen over die periode. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor die periode en beval de minister een nieuw besluit te nemen. Appellant kreeg tevens proceskostenvergoeding toegekend.