ECLI:NL:CRVB:2022:1507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loongerelateerde WGA-uitkering en toepassing Dagloonbesluit bij prepensioen
Appellant, voormalig ploegleider, ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, berekend naar een dagloon gebaseerd op een WW-uitkering die was gekort wegens prepensioen. Appellant stelde dat deze berekening tot een dubbele korting leidde en in strijd was met het loondervingsbeginsel, het verzekeringsbeginsel en artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het Dagloonbesluit een redelijke afspiegeling vormt van het inkomen in de referteperiode en geen ruimte biedt voor een hardheidsclausule. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat het prepensioen niet tot het loon behoort voor de dagloonberekening, conform artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit en artikel 16 van Pro de Wfsv.
De Raad benadrukt dat de wetgever de negatieve gevolgen van de AOW-leeftijdsverhoging heeft ondervangen via een tijdelijke overbruggingsuitkering, maar dat appellant hier niet voor in aanmerking kwam omdat zijn prepensioen na 1 januari 2013 is ingegaan. De Raad wijst het beroep op het evenredigheidsbeginsel en artikel 6 EVRM Pro af, omdat geen sprake is van een strafrechtelijke sanctie of onredelijke belangenafweging.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.