ECLI:NL:CRVB:2016:1273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dagloonvaststelling volgens Dagloonbesluit bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
Appellant was sinds 2003 in dienst bij een werkgever en had een dienstverband beëindigd in februari 2013, waarna hij direct een nieuwe arbeidsovereenkomst kreeg met een beperkte arbeidsomvang. Het UWV stelde het dagloon voor de WW-uitkering vast op basis van een 38-urige werkweek, maar het dagloon voor de Ziektewet-uitkering werd vastgesteld op een veel lager bedrag vanwege de beperkte arbeidsuren.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat de regeling in strijd was met het Dagloonbesluit en algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het dagloon slechts op één inkomstenbron werd gebaseerd terwijl hij verzekerd was voor twee. Ook werd een beroep gedaan op het Eerste Protocol van het EVRM.
De Raad oordeelde dat artikel 7, derde lid, van het Dagloonbesluit correct werd toegepast omdat appellant op de eerste ziektedag niet volledig werkloos was. De Raad verwierp de stelling dat deze bepaling onverbindend is en wees het beroep op het EVRM af. De nadelige gevolgen voor appellant bieden geen grond om af te wijken van de wettelijke regeling.
Het hoger beroep werd verworpen, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit werden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het dagloon wordt bevestigd volgens artikel 7, derde lid, van het Dagloonbesluit.