ECLI:NL:CRVB:2018:2091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dagloon WW na nabetaling achterstallig loon en wettelijke verhoging
Appellante ontving in juni 2015 een nabetaling van achterstallig loon van haar voormalige werkgever, voortvloeiend uit een gerechtelijke uitspraak die de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst niet erkende. Het UWV had bij de berekening van het dagloon voor haar WW-uitkering deze nabetaling niet volledig meegenomen, omdat een deel daarvan bestond uit wettelijke verhoging en omdat het dagloon een redelijke afspiegeling van het welvaartsniveau moet zijn.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de nabetaling geen loon in de zin van het Dagloonbesluit 2015 was, mede omdat zij feitelijk geen arbeid had verricht in de betreffende periode. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de nabetaling loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is en derhalve meegenomen moet worden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de nabetaling een verlate maar onmiddellijke tegenprestatie vormt voor arbeid die verricht had moeten worden en dus loon uit tegenwoordige dienstbetrekking is. De wettelijke verhoging is geen loon en wordt buiten beschouwing gelaten. Het dagloon wordt vastgesteld op het maximumdagloon van €202,17, omdat de berekening met de nabetaling hoger uitkomt. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellante toe.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 juli 2018.
Uitkomst: Het dagloon van appellante wordt vastgesteld op het maximumdagloon van €202,17 met ingang van 1 februari 2016.