ECLI:NL:CRVB:2022:133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontoereikende motivering intrekking en terugvordering bijstand wegens vermeende doorlopende autohandel
Appellant ontving sinds 2012 bijstand en het college trok deze bijstand in en vorderde terug wegens vermeende doorlopende autohandel. Het college baseerde dit op een uitgebreid onderzoek, waaronder verkeerscontroles, bankafschriften en Marktplaats-advertenties.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat appellant in alle maanden van de periode handelstransacties verrichtte. Het college kon niet aannemelijk maken dat appellant over alle auto’s, ook die niet op zijn naam stonden, beschikte of dat hij in alle maanden actief was.
De Raad wijst op vaste rechtspraak over de onderzoeksbevoegdheid van het college en de bewijslast, maar benadrukt dat het college het gebrek in de motivering moet herstellen. Het college moet per maand beoordelen of sprake is van handel en zo nodig een gewijzigd besluit nemen.
De Raad draagt het college op binnen zes weken het besluit te herstellen, waarmee het college de motivering moet verduidelijken en de terugvordering kan aanpassen.
Deze uitspraak bevestigt het belang van een gedegen en gedetailleerde motivering bij intrekking van bijstand op grond van vermoedens van handel en benadrukt de zorgvuldigheid die het bestuursorgaan in acht moet nemen.
Uitkomst: Het college wordt opgedragen het besluit te herstellen wegens ontoereikende motivering van doorlopende autohandel.