ECLI:NL:CRVB:2012:BV2333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand na onvoldoende medewerking en onleesbare banktransacties
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en werden onderzocht in het kader van het project 'Hoogwaardig handhaven'. Het College vroeg bankafschriften op over de periode van 1 januari 2007 tot mei 2008 om de rechtmatigheid van de bijstand te controleren. Appellanten verstrekten onvolledige en deels onleesbaar gemaakte transacties, met als reden de privacy van een familielid.
Het College schortte vervolgens de bijstand op en trok deze later in wegens het niet tijdig en volledig aanleveren van de gevraagde gegevens. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden met het argument dat het opvragen van bankafschriften een onevenredige inbreuk op hun privacy vormde.
De Raad oordeelde dat het College op grond van concrete aanwijzingen, zoals een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, gerechtigd was een gericht onderzoek te doen en bankafschriften over een langere periode op te vragen. De Raad vond geen sprake van een onevenredige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en bevestigde het besluit tot intrekking van de bijstand. Het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens onvoldoende medewerking en onleesbare banktransacties wordt bevestigd.