ECLI:NL:CRVB:2020:3125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken duurzame band ingezetenschap Nederland
Appellante is in november 2017 met haar drie kinderen vanuit Suriname naar Nederland gekomen en heeft op 3 juli 2018 kinderbijslag aangevraagd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de kinderbijslag voor het derde kwartaal van 2018 omdat appellante op 1 juli 2018 nog niet als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt. In bezwaar en beroep stelde appellante dat zij een duurzame band met Nederland had en dat zij werd gediscrimineerd op grond van nationaliteit en vermogen.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten waren voor een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland op de peildatum, mede omdat appellante geen zelfstandige woonruimte had, niet werkte en geen uitkering ontving. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad benadrukte dat de intentie om zich te vestigen onvoldoende is en dat het beschikken over duurzame woonruimte en de duur van het verblijf belangrijke criteria zijn.
Verder oordeelde de Raad dat de gehanteerde criteria voor ingezetenschap niet discriminerend zijn, omdat zij voor iedereen gelijk zijn en ook Nederlanders in vergelijkbare omstandigheden niet automatisch ingezetene worden. De inschrijving in de BRP, het bezit van een verblijfsvergunning en het schoolgaan van het oudste kind waren niet doorslaggevend. Vanaf het vierde kwartaal van 2018 werd appellante wel kinderbijslag toegekend omdat zij toen werkzaamheden verrichtte en verzekerd werd voor de AKW.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees een veroordeling in proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag over het derde kwartaal van 2018 wegens het ontbreken van ingezetenschap.