ECLI:NL:CRVB:2020:2748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing Nederlandse socialezekerheidswetgeving op rijnvarende volgens Rijnvarendenovereenkomst
Betrokkene werkte van mei 2010 tot december 2012 als rijnvarende op een schip met Nederlandse exploitant. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat op betrokkene het Nederlandse socialezekerheidsrecht van toepassing was en gaf A1-verklaringen af. Betrokkene voerde aan dat Luxemburgse wetgeving van toepassing zou moeten zijn en dat de Svb de procedure van artikel 16 van Pro Vo 987/2009 had moeten volgen.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit van de Svb vernietigd omdat volgens haar de procedurevoorschriften van artikel 16 Vo Pro 987/2009 niet waren gevolgd. De Svb stelde in hoger beroep dat deze procedurevoorschriften niet van toepassing zijn bij de Rijnvarendenovereenkomst, wat door de Hoge Raad werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de Hoge Raad en oordeelt dat de Rijnvarendenovereenkomst een afwijking vormt op de algemene EU-regels, waardoor slechts de wetgeving van één Rijnoeverstaat van toepassing kan zijn en de procedurevoorschriften van artikel 16 Vo Pro 987/2009 niet gelden. Het beroep van de Svb wordt toegewezen en het eerdere vonnis vernietigd. De Svb heeft terecht vastgesteld dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is en de A1-verklaringen mogen met terugwerkende kracht worden afgegeven.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt afgewezen en het besluit van de Svb dat de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing is, wordt bevestigd.