ECLI:NL:CRVB:2018:1986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- J.L. Boxum
- E.C.G. Okhuizen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet hoofdverblijf op uitkeringsadres bij extreem laag waterverbruik
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Uit een themacontrole bleek dat het waterverbruik op dit adres extreem laag was, namelijk tussen 3 en 5 m³ per jaar, wat aanleiding gaf tot nader onderzoek door de gemeente Groningen.
Tijdens het onderzoek gaf appellante aan dat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had, maar het extreem lage waterverbruik leidde tot de vooronderstelling dat zij daar niet daadwerkelijk woonde. Appellante slaagde er niet in dit te weerleggen met haar stelling dat zij zuinig leefde en minder vaak doucht vanwege eczeem. Ook de bewering dat de watermeter mogelijk niet goed werkte, werd verworpen op grond van latere meterstanden.
Het college trok daarom de bijstand over de periode 2011-2014 in en vorderde de verstrekte bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad verduidelijkte dat een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden als extreem laag wordt beschouwd en dit een vooronderstelling rechtvaardigt dat het hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres is.
De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand introk, omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De overige gronden, zoals het aanbieden van huisvuil en het verblijf in het buitenland, behoefden geen verdere bespreking. Het hoger beroep werd verworpen en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens het niet hebben van het hoofdverblijf op het uitkeringsadres wordt bevestigd.