Uitspraak
16.6568 PW, 17/7230 PW
OVERWEGINGEN
4.9. Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl zij feitelijk bij haar ouders woonde. Naar aanleiding van een anonieme melding en een onderzoek met huisbezoek concludeerde het college dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde en dat zij vermogen had boven de vermogensgrens. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank wees de beroepen van appellante af en ook in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college terecht heeft gehandeld. Het huisbezoek was gebaseerd op een redelijke grond en informed consent was verkregen. De bevindingen van het huisbezoek en het extreem lage waterverbruik op het uitkeringsadres ondersteunen de conclusie dat appellante daar niet woonde.
De Raad bevestigt dat de intrekking en terugvordering rechtmatig zijn en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.