Uitspraak
16.7429 PW, 17/1338 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
in totaal € 216,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf maart 2009 met onderbrekingen bijstand op grond van de Participatiewet, ingeschreven op een adres te Almelo. Het college twijfelde aan de hoofdverblijfplaats van appellant vanwege laag waterverbruik en pintransacties elders, en trok de bijstand in met terugvordering van € 25.758,11.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende concrete feiten bevatten om het standpunt van het college te ondersteunen. De Raad oordeelde dat het lage waterverbruik en het pingedrag niet automatisch de conclusie rechtvaardigen dat appellant niet op het adres verbleef, mede gezien de detentieperiode en de verklaring dat appellant vaak bij zijn moeder verbleef.
Tijdens het huisbezoek werden aanwijzingen gevonden die het verblijf van appellant op het adres bevestigen, zoals persoonlijke spullen en gebruiksvoorwerpen. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering en herroept het besluit zelf. Het hoger beroep tegen de afwijzing van een nieuwe bijstandsaanvraag werd niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had.
Tot slot veroordeelde de Raad het college tot vergoeding van proceskosten van € 3.006,- en griffierecht van € 216,-.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd en herroepen wegens onvoldoende feitelijke grondslag.