ECLI:NL:CRVB:2018:3576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens niet-wonen op uitkeringsadres
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB vanaf 25 augustus 2009, ingeschreven op een uitkeringsadres boven de woning van haar ouders. Uit onderzoek van de gemeente bleek dat appellante vanaf februari 2011 feitelijk bij haar ouders woonde en niet op het uitkeringsadres. Dit werd ondersteund door verklaringen van appellante zelf en laag waterverbruik op het uitkeringsadres.
Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten van bijstand terug tot een bedrag van €58.998,86. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij haar inlichtingenplicht niet had geschonden en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan.
De Raad oordeelde dat het college voldoende feiten had verzameld om de intrekking te rechtvaardigen en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Ook waren de medische omstandigheden geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd omdat appellante niet op het uitkeringsadres woonde en geen dringende redenen zijn voor kwijtschelding.