ECLI:NL:CRVB:2017:4123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- M. Hillen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking bijstandsuitkering wegens vermogensaanwas en terugvordering
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB, waarbij het college het vermogen en de vermogensgrens vaststelde. Het college herzag de bijstand vanwege periodieke schenkingen van appellant's moeder en trok de bijstand in vanaf 23 juni 2014 wegens oververmogen. De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond, vernietigde de besluiten en gaf het college opdracht nieuwe beslissingen te nemen.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de schenkingen van appellant's moeder als inkomen moeten worden aangemerkt en dat het college terecht de bijstand heeft herzien vanaf 1 april 2014. De betaling van € 8.100,- aan de moeder wordt niet als schuld erkend omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een afdwingbare terugbetalingsverplichting bestaat.
De Raad stelt vast dat het vermogen van appellant op 23 en 24 juni 2014 boven de vermogensgrens lag, maar vanaf 25 juni 2014 weer onder die grens kwam. Hierdoor was intrekking van de bijstand vanaf 25 juni 2014 onterecht. De Raad vernietigt het besluit tot intrekking voor dat deel en herroept het. Tevens wordt de afwijzing van een nieuwe aanvraag van appellant vernietigd omdat deze niet nodig was.
Daarnaast wordt het college veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de periode vanaf 25 juni 2014 en tot vergoeding van proceskosten aan appellant. De Raad bevestigt dat het college bevoegd is om een maatregel op te leggen wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand vanaf 25 juni 2014 wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.