ECLI:NL:CRVB:2015:4137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering uitbetaling WW-uitkering vanwege hogere FPU-uitkering
Appellant ontving vanaf 1 januari 2007 een FPU-uitkering en was vanaf 30 augustus 2010 tot 30 maart 2013 in dienst bij een werkgever. Na beëindiging van dit dienstverband vroeg hij per 1 april 2013 een WW-uitkering aan. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe, maar betaalde deze niet uit omdat zijn FPU-uitkering hoger was.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat de uitzondering in artikel 3:5, derde lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB) alleen geldt indien het prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies van arbeidsuren uit hetzelfde dienstverband, wat hier niet het geval was.
In hoger beroep stelde appellant dat deze uitleg te strikt was, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere uitspraak. De uitzondering moet restrictief worden uitgelegd en is bedoeld voor situaties waarin werkloosheid volgt op een dienstverband waarin al eerder arbeidsurenverlies was geleden. Omdat appellant een FPU-uitkering uit een ander dienstverband ontving dan waaruit hij werkloos werd, komt de WW-uitkering niet tot uitbetaling.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering niet wordt uitgekeerd omdat de FPU-uitkering hoger is en de uitzondering niet van toepassing is.