ECLI:NL:CRVB:2014:2130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekkingsbesluit bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en opdracht tot nieuwe besluitvorming
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een onderzoek door de sociale recherche werd vastgesteld dat appellant werkzaamheden verrichtte als toezichthouder en kamerbeheerder voor zijn zoon, en dat zij geen melding hadden gemaakt van een en/of-bankrekening met tegoeden die het vrij te laten vermogen overschreden. Het college trok de bijstand over meerdere jaren in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar in hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de werkzaamheden van appellant verder gaan dan een familiedienst en dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door dit niet te melden. Echter, het college had niet aannemelijk gemaakt dat het recht op bijstand over de gehele periode niet schattenderwijs kon worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het college de bijstand had moeten vaststellen op basis van de norm minus het minimumloon voor 15 uur per maand werkzaamheden. Ook bevestigde de Raad dat de tegoeden op de en/of-rekening tot terugvordering leidden. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit voor zover het de intrekking en terugvordering over bepaalde perioden betreft, en droeg het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt deels vernietigd en het college krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.