Appellante en haar voormalige echtgenoot ontvingen bijstand volgens de gezinsnorm. Na anonieme meldingen onderzocht de sociale recherche mogelijke onrechtmatigheden, waarbij bleek dat de echtgenoot in Groot-Brittannië woonde, werkte en een uitkering ontving. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting.
Appellante betwistte de schending en stelde dat de informatie onjuist was en mogelijk sprake was van identiteitsfraude. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs leverde om twijfel te zaaien over de ontvangen informatie en dat zij als onderdeel van de gezinsbijstand verplicht was de juiste informatie te verstrekken.
De Raad bevestigde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen, en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die matiging van de terugvordering rechtvaardigden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.