ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1317
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling gezondheidstoestand en arbeidsgeschiktheid
Appellante werkte als administratief medewerkster en viel wegens borstkanker uit. Na een periode van aangepast werk hervatte zij haar werkzaamheden gedeeltelijk. Het UWV beëindigde haar Ziektewetuitkering omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het aangepaste administratieve werk als haar arbeid moest worden beschouwd en dat de verzekeringsartsen zorgvuldig hadden vastgesteld dat zij niet ongeschikt was. Appellante voerde aan dat haar klachten haar werkvermogen beperkten, maar kon dit niet met voldoende medische gegevens onderbouwen.
De Raad oordeelde dat de maatstaf voor arbeid het laatst verrichte werk is en dat er geen bijzondere aspecten waren die dit moesten wijzigen. De medische beoordelingen waren zorgvuldig en de aanvullende gegevens van appellante boden geen reden tot twijfel. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de beëindiging van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellante niet ongeschikt was voor haar laatst verrichte arbeid.