ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.J.T. van den Corput
- A.I. van der Kris
- Rechtspraak.nl
Beoordeling maatstaf arbeid en recht op ziekengeld volgens artikel 19 Ziektewet
Appellant, voormalig facilitair medewerker administratie met bedrijfsverantwoordelijkheid, werd door het UWV per 20 oktober 2010 geschikt geacht voor zijn arbeid en verloor daarmee het recht op ziekengeld. Appellant betwistte dit op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Ziektewet, stellende dat het UWV een onjuiste maatstaf hanteerde door verzwarende en verlichtende aspecten van zijn arbeid buiten beschouwing te laten.
De rechtbank Utrecht vernietigde het bestreden besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen, omdat geen medische gronden waren om aan de geschiktheid te twijfelen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en benadrukte dat hij sinds 2006 feitelijk manager was van het schoonmaakbedrijf van zijn vader.
De Raad overwoog dat het vijfde lid van artikel 19 ZW Pro is bedoeld om voor vangnetters zonder werkgever het begrip 'zijn arbeid' te verruimen door bijzondere verzwarende aspecten buiten beschouwing te laten, maar niet verlichtende aspecten. Het UWV heeft terecht de verzwarende aspecten buiten beschouwing gelaten en dit deed geen afbreuk aan appellant. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en voldoende onderbouwd.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht het recht op ziekengeld beëindigd.