ECLI:NL:CRVB:2013:994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel volgens AKW
Appellant, met Afghaanse nationaliteit, vroeg kinderbijslag aan, maar deze werd geweigerd omdat hij niet beschikte over een verblijfstitel zoals vereist in artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderscheid naar verblijfsstatus gerechtvaardigd is.
In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel, verwijzend naar eerdere rechtspraak en het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, waarin werd bevestigd dat het onderscheid naar verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is. Appellant voerde aan dat kinderbijslag onderdeel uitmaakt van het bestaansminimum en dat internationale verdragen, zoals het EVRM en het IVRK, een andere uitkomst zouden moeten geven, maar deze argumenten werden verworpen.
De Raad overwoog dat het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen een zekere beoordelingsruimte kent en dat het ontbreken van een verblijfstitel een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt voor de weigering van kinderbijslag. Ook de door appellant aangevoerde schrijnende omstandigheden en de latere verblijfsvergunning veranderden hier niets aan. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een geldige verblijfstitel.