ECLI:NL:CRVB:2014:273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfstitel niet strijdig met internationaal recht
Appellant, een Turkse nationaliteit dragende persoon, verblijft sinds 2003 in Nederland zonder rechtmatige verblijfstitel, na afwijzing van zijn asielaanvraag en ongewenstverklaring. Zijn echtgenote en dochter verblijven eveneens in Nederland, waarbij opvang op grond van de WMO is toegekend. De aanvraag van appellant om kinderbijslag werd afgewezen omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft, hetgeen ook door de rechtbank werd bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep verwijst naar eerdere uitspraken, waaronder een arrest van de Hoge Raad waarin werd geoordeeld dat het onderscheid in artikel 6, tweede lid, van de AKW gerechtvaardigd is en het koppelingsbeginsel niet buiten toepassing kan worden gelaten, ook niet bij langdurig verblijf of sterke band met Nederland. Appellant stelde dat weigering in strijd is met artikel 8 en Pro 14 EVRM, en diende een klacht in bij het VN-Mensenrechtencomité, doch de Raad zag geen reden de procedure aan te houden.
De Raad concludeert dat appellant geen recht op kinderbijslag kan ontlenen aan het nationale noch internationale recht en bevestigt de eerdere uitspraak. Er zijn geen schrijnende omstandigheden die een uitzondering op het koppelingsbeginsel rechtvaardigen. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfstitel.