ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraken en herbeoordeling kinderbijslag bij rechtmatig verblijf ouders
Appellanten, ouders die kinderbijslag aanvragen voor in Nederland verblijvende kinderen, werden geweigerd op grond van artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanwege hun verblijfsstatus. Hoewel zij niet allen rechtmatig verbleven, verbleven sommigen rechtmatig in afwachting van een toelatingsbeslissing. De rechtbanken verklaarden de beroepen ongegrond of niet-ontvankelijk.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM Pro in samenhang met artikel 14 EVRM Pro, en met diverse internationale verdragen waaronder het IVRK en VN-Vrouwenverdrag. Zij stelden dat kinderbijslag een essentieel ondersteuningsmiddel is voor het gezinsleven en niet mag worden geweigerd op verblijfsstatus.
De Raad overwoog dat de koppelingswetgeving in beginsel gerechtvaardigd is om schijnlegaliteit te voorkomen en het vreemdelingenbeleid te ondersteunen. Echter, voor ouders die langdurig en rechtmatig in Nederland verblijven en een duurzame band met Nederland hebben opgebouwd, is de algemene uitsluiting van kinderbijslag geen evenredig middel. De Raad vernietigde de uitspraken en bepaalde dat de Sociale verzekeringsbank nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze overwegingen.
De Raad wees tevens het beroep op diverse verdragsbepalingen af voor ouders zonder rechtmatig verblijf en oordeelde dat geen ongerechtvaardigde discriminatie plaatsvindt. De kosten van de procedure werden aan de Sociale verzekeringsbank opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraken en beveelt hernieuwde beoordeling van kinderbijslagaanvragen voor ouders met rechtmatig verblijf en duurzame band met Nederland.