ECLI:NL:CRVB:2012:BY4745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van termijnoverschrijding bij vaststelling buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet
Appellante, woonachtig in België en gerechtigd tot zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), betwistte de vaststelling van haar buitenlandbijdrage over 2007 door het College voor zorgverzekeringen (Cvz). Zij stelde dat de termijn van zes maanden voor het vaststellen van de definitieve jaarafrekening, zoals genoemd in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling zorgverzekering, een verjaringstermijn is en dat Cvz daardoor zijn bevoegdheid had verloren.
De rechtbank verklaarde het beroep deels niet-ontvankelijk en ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de termijn slechts het moment van vaststelling regelt en geen verjaring inhoudt. De Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat de bevoegdheid van Cvz om de jaarafrekening vast te stellen niet vervalt door overschrijding van de termijn.
Voorts oordeelt de Raad dat er geen strijd is met het gelijkheidsbeginsel of het EU-recht, omdat de situatie van appellante en in Nederland wonende gepensioneerden voldoende onvergelijkbaar is. Ook is geen schending van het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld, mede omdat appellante tijdig op de hoogte was gesteld van een voorlopige jaarafrekening en geen nadeel heeft geleden door de termijnoverschrijding.
Ten slotte wijst de Raad het verzoek tot proceskostenveroordeling af. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De overschrijding van de zesmaandentermijn leidt niet tot verval van de bevoegdheid van Cvz; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.