ECLI:NL:CRVB:2012:BY7024
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling buitenlandbijdrage en termijnoverschrijding Zorgverzekeringswet
Appellant, woonachtig in België en gerechtigd tot zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), maakte bezwaar tegen de vastgestelde buitenlandbijdrage over 2006 en 2007. De Cvz stelde deze bijdragen vast, maar overschreed de wettelijke termijn van zes maanden voor de definitieve vaststelling over 2006. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, oordeelde dat de termijnoverschrijding niet leidde tot onbevoegdheid en dat appellant voldoende was gecompenseerd.
In hoger beroep betoogde appellant dat de bijdragen foutief waren berekend en verzocht om kwijtschelding wegens financiële problemen. Tijdens het hoger beroep trok Cvz het besluit over 2007 in en stelde een nieuwe, lagere buitenlandbijdrage vast. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak over 2007 en verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond.
De Raad bevestigde dat de termijnoverschrijding voor 2006 niet tot vernietiging leidt omdat de bevoegdheid van Cvz niet vervalt en er geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Ook wees de Raad het verzoek om kwijtschelding af, omdat de Zvw en Regeling dwingend recht bevatten en geen ruimte bieden voor matiging of kwijtschelding. Appellant kan wel een betalingsregeling aanvragen.
De Raad bepaalde dat Cvz het betaalde griffierecht aan appellant vergoedt en wees een veroordeling in proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 19 december 2012.
Uitkomst: De Raad bevestigt de buitenlandbijdrage over 2006 ondanks termijnoverschrijding, vernietigt het deel over 2007 wegens herziening en wijst het verzoek om kwijtschelding af.