ECLI:NL:CRVB:2005:AT9963
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering aan minderjarige Nederlandse kinderen van vreemdeling wegens zeer dringende redenen
Appellante, een Chileense vreemdeling, vroeg bijstand aan voor zichzelf en haar minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit. De Regionale Sociale Dienst weigerde bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), omdat appellante geen vreemdeling was die op grond van de wet gelijkgesteld kon worden met een Nederlander.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hoewel appellante zelf geen recht had op bijstand, voor haar minderjarige kinderen zeer dringende redenen bestonden om bijstand te verlenen op grond van artikel 11, eerste lid, van de Abw. Dit werd mede bezien in het licht van het Verdrag inzake de rechten van het kind.
De Raad stelde vast dat er geen onderhoudsbijdrage van de vader was en dat appellante niet beschikte over middelen om in de essentiële kosten voor de kinderen te voorzien. Daarom werd het besluit van 18 juni 2002 vernietigd voor zover bijstand aan de kinderen werd geweigerd en werd gedaagde opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het besluit tot weigering van bijstand aan de minderjarige Nederlandse kinderen wegens zeer dringende redenen en beveelt een nieuw besluit.