ECLI:NL:CRVB:2003:AI0656
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- H.Th. van der Meer
- Rechtspraak.nl
Geen benadelingshandeling door werknemer bij nalaten verzoek fictieve opzegtermijn kantonrechter
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een werknemer die haar arbeidsovereenkomst ontbonden zag per 1 november 1999. De werknemer had de kantonrechter niet verzocht rekening te houden met de fictieve opzegtermijn en geen vergoeding geëist die gelijk is aan het loon over die termijn. Het Uwv weigerde daarom de WW-uitkering over die periode wegens een vermeende benadelingshandeling.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uwv, maar oordeelde dat er wel sprake was van een benadelingshandeling. Het Uwv ging in hoger beroep tegen het oordeel over de fictieve opzegtermijn en de benadelingshandeling. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de fictieve opzegtermijn conform de wet en de kantonrechtersformule moet worden toegepast en dat het beleid van het Uwv te rigide was.
De Raad overwoog dat het nalaten van de werknemer om de kantonrechter te verzoeken rekening te houden met de fictieve opzegtermijn geen benadelingshandeling vormt, mede omdat de mogelijkheden om de kantonrechter te beïnvloeden beperkt zijn. Ook werd meegewogen dat de werknemer door het outplacementprogramma en de vergoeding van de werkgever reeds schadeloos was gesteld. De Raad bevestigde het vernietigende oordeel van de rechtbank en veroordeelde het Uwv tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad oordeelt dat het nalaten van de werknemer om de kantonrechter te verzoeken rekening te houden met de fictieve opzegtermijn geen benadelingshandeling is en bevestigt vernietiging van het besluit van het Uwv.