ECLI:NL:CRVB:2001:AB0761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.C. van Sloten
- Th.M. Schelfhout
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep over de fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering voor werknemers ouder dan 45 jaar
Betrokkenen, allen ouder dan 45 jaar en jarenlang werkzaam bij dezelfde werkgever, kregen hun arbeidsovereenkomst wegens reorganisatie ontbonden. Zij vroegen WW-uitkering aan en streden over de ingangsdatum daarvan, die wordt bepaald aan de hand van een fictieve opzegtermijn zoals bedoeld in artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet (WW).
De rechtbank had geoordeeld dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) terecht toepassing gaf aan artikel XXI van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Wet F en Z) en aan artikel 7:672 BW Pro, maar dat voor de bepaling van de opzegtermijn ook rekening moest worden gehouden met het oude artikel 7:670 BW Pro. De Raad vernietigt dit laatste oordeel en stelt dat artikel XXI Wet F en Z niet van toepassing is op de fictieve opzegtermijn in de WW. Wel moet de aanzegtermijn uit artikel 7:672 lid 1 BW Pro worden betrokken.
De Raad baseert zich op de tekst van artikel 16 lid 3 WW Pro, de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet. De bedoeling van de wetgever was niet om artikel XXI Wet F en Z mee te nemen in de fictieve opzegtermijn. De aanzegtermijn maakt daarentegen wel deel uit van de rechtens geldende termijn. De Raad veroordeelt het Lisv in de proceskosten en beveelt nieuwe besluiten te nemen conform deze uitleg.
Uitkomst: De Raad vernietigt de eerdere uitspraak voor zover de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten en bepaalt dat het Lisv nieuwe besluiten moet nemen zonder toepassing van artikel XXI Wet F en Z, maar met inachtneming van de aanzegtermijn uit artikel 7:672 BW.