Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 december 2025 in de zaken tussen:
[naam 1] , te [woonplaats] (vennootschap)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop in (hoger) beroep
Inleiding
Grondslag van het geschil
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
Wat betreft de stelling van de vennootschap dat de Data2Track-gegevens niet onfeilbaar zijn en het systeem te maken heeft gehad met ‘kinderziekten’ in de vorm van gebreken dan wel imperfecties, overweegt het College allereerst dat zij die stelling in hoger beroep niet met bewijs heeft onderbouwd. Dat lag wel op haar weg, mede gelet op de analyse die een toezichthouder in verband met het beroep bij de rechtbank in het aanvullend rapport van bevindingen van 6 januari 2023 heeft gemaakt van de in 2016 doorgegeven meldingen van storingen aan de AGR-/GPS-apparatuur van voertuigen van W. [naam 2] B.V.
De vennootschap heeft ter onderbouwing van haar stelling in hoger beroep dezelfde stukken als bewijs ingebracht als in beroep bij de rechtbank. Uit deze stukken blijkt naar het oordeel van het College geen concrete weerlegging van de bevindingen in de rapporten van bevindingen. Zo houden de verklaringen van [naam 2] B.V. slechts een beschrijving in van de transporten zoals die volgens deze onderneming zouden hebben plaatsgevonden, maar wordt hierin niet specifiek per transport ingegaan op het in het RvB 2017 gebruikte en geanalyseerde bewijs voor de onderbouwing van de aanname dat de 24 vrachten zijn gefingeerd. Verder zijn de verklaringen van zowel de vennootschap als die van de afnemers slechts een bevestiging van wat [naam 2] B.V. wat betreft het verrichte vervoer heeft verklaard. Mede gelet op wat hiervoor over de verklaringen van [naam 2] B.V. is overwogen, zijn die verklaringen daarom ook onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders. De overige door de vennootschap ingebrachte bewijsmiddelen, zoals bijvoorbeeld facturen en VDM’s, zijn in het licht van het voorgaande en al het door de minister verzamelde en gebruikte bewijs voor het aannemen dat de 24 vrachten niet daadwerkelijk zijn afgevoerd, onvoldoende bewijs voor de stelling van de vennootschap dat die aanname onjuist is. Hierbij is van belang dat deze facturen en VDM’s niet zonder meer in overeenstemming hoeven te zijn met de daadwerkelijke gang van zaken bij mesttransporten. Het College wijst hierbij nog op wat hierna onder 5.1 tot en met 5.5 wordt overwogen over de VDM’s, die volgens de minister niet naar waarheid zijn opgemaakt. Al met al vormen de stelling van de vennootschap en de daartoe aangevoerde bewijsmiddelen ook voor het College dus geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen in de drie genoemde rapporten van bevindingen en de conclusie van de minister dat de 24 transporten mest in werkelijkheid niet hebben plaatsgevonden.
- voor het niet voldoen aan de eigen en de overgenomen mestverwerkingsplichten: € 58.378,85;
- voor het niet voldoen aan de mestverwerkingsplicht van de VGM: € 5.705,37;
- voor het niet naar waarheid opmaken van de VDM’s: € 3.672,-.
De vennootschap stelt zich in de tweede plaats op het standpunt dat de besluitvorming van de minister in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, omdat niet duidelijk is gemaakt hoe hoog de korting is. Dat de minister heeft besloten om een korting van 5% toe te passen betekent niet dat de vennootschap weet hoe hoog de korting is. De vennootschap stelt in dit verband dat zij de gebruiksnormen niet heeft overschreden, zodat er geen grondslag is voor het toepassen van de korting. De betreffende mesttransporten hebben immers daadwerkelijk plaatsgevonden. Zij merkt op dat de minister vanwege strafverzwarende omstandigheden een korting van 5% heeft toegepast. Als komt vast te staan dat de overschrijding van de gebruiksnormen veel lager is, betekent dit dat er geen sprake (meer) is van een strafverzwarende omstandigheid en dat de minister een korting van 3% had moeten toepassen. De vennootschap heeft tot slot een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Beslissing
- draagt de minister op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 548,- aan de vennootschap te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van de vennootschap tot een bedrag van € 1.814,-.