ECLI:NL:CBB:2020:925
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen vaststelling fosfaatrecht wegens vermeende individuele en buitensporige last
Appellant, een melkveehouder, voerde beroep aan tegen het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de vaststelling van zijn fosfaatrecht per 1 januari 2018. Hij stelde dat de late vergunningverlening voor de uitbreiding van zijn ligboxenstal een individuele en buitensporige last vormde, waardoor hij minder fosfaatrechten kreeg toegekend dan waarop hij recht meende te hebben.
Het College oordeelde dat appellant het merendeel van zijn investeringen pas na afgifte van de vergunningen had gedaan en dat hij geen bedrijfseconomische noodzaak of andere dwingende redenen had voor de timing van zijn investeringen. De knelgevallenregeling werd niet toegepast omdat appellant niet voldeed aan de 5%-drempel. Hoewel appellant financieel werd geraakt, droeg hij zelf de ondernemersrisico’s van zijn uitbreidingsbeslissingen.
Het College vernietigde het bestreden besluit omdat verweerder ten onrechte vijf jongvee niet had meegenomen bij de berekening van het fosfaatrecht. Het fosfaatrecht werd vastgesteld op 8.083 kg. De belangen van milieu en volksgezondheid wogen zwaarder dan de belangen van appellant, zodat geen sprake was van een individuele en buitensporige last.
Uitkomst: Het College vernietigt het bestreden besluit en stelt het fosfaatrecht vast op 8.083 kg fosfaat.