ECLI:NL:CBB:2017:14
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes voor betaaldiensten zonder vergunning en feitelijk leidinggeven
De zaak betreft hoger beroep tegen boetes opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB) aan een rechtspersoon en haar feitelijk leidinggever wegens het verrichten van betaaldiensten zonder vergunning in strijd met artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
De rechtbank Rotterdam had de boetes van respectievelijk €500.000 en €250.000 gematigd tot €100.000 en €50.000, omdat de overtreding niet zwaarder dan gemiddeld verwijtbaar was en er geen consumentenbenadeling was. Het College bevestigt dit oordeel en overweegt dat de feitelijk leidinggever bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de overtreding zou plaatsvinden door onvoldoende maatregelen te treffen.
Het College oordeelt dat geen sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel, omdat rechtspersoon en feitelijk leidinggever zelfstandige dragers van rechten en plichten zijn. Ook het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel worden niet geschonden. De boeteoplegging aan de feitelijk leidinggever is passend gelet op zijn rol en verwijtbaarheid. Het College wijst het hoger beroep van de feitelijk leidinggever af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het College bevestigt de boetes van €100.000 aan de rechtspersoon en €50.000 aan de feitelijk leidinggever wegens het verrichten van betaaldiensten zonder vergunning en feitelijk leidinggeven.