De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van een betaaldienstverlener en haar feitelijk leidinggevende tegen bestuurlijke boetes opgelegd door De Nederlandsche Bank (DNB) wegens het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener in strijd met artikel 2:3a, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht (Wft).
DNB had aan de onderneming een boete van €500.000 opgelegd en aan de feitelijk leidinggevende een boete van €250.000. De rechtbank stelde vast dat de overtreding had plaatsgevonden in de periode van 1 mei 2011 tot 28 februari 2013 en dat DNB bevoegd was om boetes op te leggen. De rechtbank oordeelde dat de boetes echter onevenredig hoog waren en matigde deze aanzienlijk, mede gelet op de omstandigheden zoals het overgangsregime, het tijdig melden van activiteiten en de inspanningen voor vergunningverlening.
De rechtbank wees het beroep van de feitelijk leidinggevende af dat hij niet feitelijk leiding had gegeven, en bevestigde dat hij bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat de overtreding zou plaatsvinden en onvoldoende maatregelen had getroffen om deze te voorkomen. De rechtbank veroordeelde DNB tevens tot vergoeding van griffierechten en proceskosten aan de eisers.
De uitspraak kan in hoger beroep worden aangevochten bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.