ECLI:NL:RVS:2022:2147
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit tegen permanente bewoning recreatiewoning ondanks medische omstandigheden
Appellant woont sinds 2014 permanent in een recreatiewoning op een minicamping in Sint Hubert, wat in strijd is met het bestemmingsplan. Het college van burgemeester en wethouders heeft hem bij besluit van 28 januari 2020 gelast het gebruik voor permanente bewoning te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat vanwege zijn ernstige medische toestand en de coronapandemie het college had moeten afzien van handhaving of een langere begunstigingstermijn had moeten verlenen. Hij stelde dat de belangenafweging onevenredig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de menselijke maat. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat medische omstandigheden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen leiden tot afzien van handhaving en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn medische toestand het verhuizen gedurende de begunstigingstermijn onmogelijk maakte.
Verder was appellant gedurende meerdere jaren op de hoogte van de overtreding en had hij ruim de tijd gehad om vervangende woonruimte te vinden. De Afdeling vond dat het college voldoende rekening had gehouden met de medische situatie en uitstelverzoeken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet omdat appellant geen concrete voorbeelden gaf van andere recreatiewoningen waar niet werd gehandhaafd.
Ten slotte oordeelde de Afdeling dat het college bij het bepalen van de begunstigingstermijn een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat de termijn van zeven maanden, verlengd tot 16 november 2020, niet onredelijk was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.