ECLI:NL:RVS:2022:330
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijke begunstigingstermijn bij overtreding Wet bodembescherming
Het college van burgemeester en wethouders van Venray legde op 17 maart 2020 lasten onder dwangsom op aan [partij A] en [partij B] wegens overtreding van artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming. De overtreding betrof het opslaan en verwerken van metalen zonder de vereiste milieumaatregelen en bodemonderzoek. [Appellant], wonend naast het perceel, ervoer overlast en maakte bezwaar tegen de begunstigingstermijn van twee jaar die het college had gesteld.
Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna [appellant] beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de begunstigingstermijn van twee jaar te lang was en niet noodzakelijk om aan de opgelegde lasten te voldoen. Het college had ter zitting aangegeven dat vier maanden voldoende is om de overtreding te beëindigen.
De Afdeling vernietigde het besluit van 9 september 2020 voor zover het de begunstigingstermijn handhaafde en herroept het besluit van 17 maart 2020 met betrekking tot de duur van de termijn. De begunstigingstermijn wordt vastgesteld op vier maanden, met een einddatum van 19 maart 2022, zodat deze niet langer duurt dan oorspronkelijk was bepaald. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant].
Uitkomst: De begunstigingstermijn wordt verkort tot vier maanden met een einddatum van 19 maart 2022 en het beroep wordt gegrond verklaard.