ECLI:NL:RVS:2021:790
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verblijfsrecht afgeleid van minderjarige zoon Unieburger bij daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding
De vreemdeling uit Nigeria, vader van een minderjarige zoon met de Nederlandse nationaliteit, verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 20 VWEU Pro. De staatssecretaris wees dit verzoek af omdat de vreemdeling volgens de vreemdelingencirculaire slechts marginale zorg- en opvoedtaken verricht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel. Uit de overgelegde bewijsstukken bleek dat de vreemdeling wel betrokken was bij de opvoeding, maar onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn zoon zonder hem Nederland zou moeten verlaten. Er was geen bewijs van ouderlijk gezag of langdurig samenwonen vóór augustus 2019. De zorg- en opvoedtaken waren niet zodanig dat verblijf in Nederland noodzakelijk was.
De Afdeling benadrukt dat voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding vereist is, waarbij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken moeten worden verricht. De emotionele band en het risico dat het kind het grondgebied van de Unie moet verlaten bij weigering van verblijf zijn daarbij van belang. De klacht dat de rechtbank ten onrechte het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet heeft meegewogen, wordt verworpen omdat dit een aparte aanvraag vereist.
Ook het verweer dat de vreemdeling niet is gehoord in bezwaar leidt niet tot vernietiging, omdat geen redelijk vermoeden bestaat dat dat tot een ander besluit zou leiden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument bevestigd.