ECLI:NL:RBDHA:2021:15782

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2021
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
21/340
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faciliterend visum op basis van artikel 20 VWEU en artikel 8 EVRM voor minderjarige vreemdelingen

In deze zaak hebben eisers, bestaande uit vijf minderjarige kinderen van Liberiaanse en Sierra Leoonse nationaliteit, een faciliterend visum aangevraagd om bij hun minderjarige zus in Nederland te verblijven. De aanvraag is aanvankelijk afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, waarna eisers in beroep gingen. De rechtbank heeft op 21 mei 2021 uitspraak gedaan in deze zaak. De rechtbank oordeelde dat eisers geen afgeleid verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez, omdat zij geen verzorgende ouder zijn van een Nederlands kind, maar verblijf wensen bij hun zus. De rechtbank concludeerde dat de verweerder niet ambtshalve hoefde te toetsen of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging of gezinsvorming. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat betekent dat de eisers geen gelijk kregen. Wel werd het verzoek om vrijstelling van betaling van het griffierecht toegewezen, gezien de omstandigheden die door eisers waren aangevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 mei 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2006, van Liberiaanse nationaliteit,

[eiser 2], geboren op [geboortedatum 2] 2013, van Sierra Leoonse nationaliteit,
[eiser 3] ,geboren [geboortedatum 3] 2010, van Sierra Leoonse nationaliteit,
[eiser 4], geboren [geboortedatum 4] 2003, van Sierra Leoonse nationaliteit,
[eiser 5] ,geboren [geboortedatum 5] 2009, van Sierra Leoonse nationaliteit,
eisers,
V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] , [V-nummer 3] , [V-nummer 4] , [V-nummer 5]
(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. Guerain).

Procesverloop

Met het besluit van 17 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) afgewezen.
Met het besluit van 18 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2021. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eisers hebben verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe, gelet op de omstandigheden die zijn aangevoerd.
Feiten
1. Mevrouw [A] (geboren 1 januari 1985 met de Sierraleoonse nationaliteit) is de moeder en wettelijk vertegenwoordiger van haar kinderen (o.a. eisers).
2. Zij heeft voor zichzelf en voor eisers verzocht om afgifte van een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU [1] en daarbij een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez. [2] Zij wensen verblijf bij hun eveneens minderjarige zus [B] (hierna: [B] ).
3. In eerste instantie zijn deze aanvragen voor zowel mevrouw [A] als eisers afgewezen. Hiertegen hebben zij bezwaar gemaakt. Met de besluiten van 29 januari 2020 heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard. Deze besluiten heeft verweerder echter weer ingetrokken.
4. Daarna heeft verweerder met een nieuw besluit van 18 december 2020 het bezwaar van mevrouw [A] gegrond verklaard en bepaald dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20, eerste lid, van het VWEU. Het bezwaar van eisers is met het betreden besluit echter (nogmaals) ongegrond verklaard. Hiertegen richt zich het beroep.
Inhoud bestreden besluit
5. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eisers geen afgeleid verblijfsrecht kunnen krijgen op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez.
6. In dit arrest is bepaald dat artikel 20 van het VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat EU-burgers het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van EU-burger ontleende rechten. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn minderjarige kinderen, die staatsburgers zijn van die lidstaat en te zijne laste komen, verblijven. Er moet namelijk vanuit worden gegaan dat deze verblijfsweigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Europese Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Europese Unie te verlaten om hun verzorgende ouder(s) te volgen.
7. Eisers zijn geen verzorgende ouder van een Nederlands kind, zij hebben verblijf aangevraagd bij hun eveneens minderjarige zus [B] . Deze situatie valt niet onder de reikwijdte van het Chavez-Vilchez arrest. Er is daarom geen afgeleid verblijfsrecht. Indien eisers van mening zijn dat verblijf moet worden toegestaan op grond van artikel 8 van het EVRM, dan moet een verblijfsaanvraag worden ingediend die verband houdt met gezinshereniging/ gezinsvorming.
Standpunt eisers
8. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting desgevraagd meegedeeld dat zij geen basis ziet in de rechtspraak voor het standpunt dat eisers vallen onder de reikwijdte van het arrest Chavez-Vilchez.
9. Wel vinden eisers het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd, omdat verweerder de eerdere beslissing op het bezwaar van 29 januari 2020 heeft ingetrokken en vervolgens ten opzichte van eisers een identiek besluit heeft genomen (het bestreden besluit). De reden hiervan is niet duidelijk in het bestreden besluit vermeld.
10. Daarnaast had verweerder ambtshalve moeten toetsen of eisers voor een verblijfsvergunning op grond van gezinshereniging/ gezinsvorming in aanmerking komen en of uitzetting in strijd komt met artikel 8 EVRM. [3] Dit volgt uit de tekst van artikel 3.6, eerste lid, onder a, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en van artikel 3.6b Vreemdelingenwet 2000 (Vw). [4] Verweerder had vervolgens moeten concluderen dat er strijd ontstaat met het recht op gezinshereniging/ gezinsvorming. Eisers behoren als broers en zussen tot de kernleden van het gezin van [B] . De belangen van [B] , om als Unieburger familieleven bij broers, zussen en moeder te kunnen hebben in Nederland, wegen zeer zwaar. Deze prevaleren boven het algemeen belang bij weigering van verblijfsrecht.
Beoordeling door de rechtbank
11. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet (meer) in geschil is dat eisers niet vallen onder de reikwijdte van het arrest Chavez-Vilchez. Partijen zijn het erover eens dat eisers niet op deze basis een afgeleid verblijfsrecht kunnen krijgen bij hun zus [B] .
12. In deze procedure ligt ter beoordeling voor of het bestreden besluit gebrekkig gemotiveerd is, omdat na intrekking van de beslissing op bezwaar van 29 januari 2020 ten opzichte van eisers een identiek besluit is genomen (het bestreden besluit). Ook ligt voor of verweerder ambtshalve had moeten toetsen of eisers voor verblijf in aanmerking komen op grond van gezinshereniging/ gezinsvorming en of uitzetting eventueel in strijd komt met artikel 8 EVRM.
Intrekking van de besluiten van 29 januari 2020
13. De rechtbank overweegt dat verweerder de besluitvorming zowel met betrekking tot moeder als de kinderen heeft heroverwogen ten einde te beoordelen of er een afgeleid verblijfsrecht bestaat. In het bestreden besluit is duidelijk gemotiveerd waarom de relatie van eisers als broers en zussen van [B] , niet leidt tot een afgeleid verblijfsrecht. Ook heeft verweerder uitgelegd waarom dit voor een verzorgende ouder van een Nederlands kind anders ligt. De rechtbank overweegt dat na het intrekken van de besluiten van 29 januari 2020 verweerder bevoegd was nieuwe besluiten te nemen. Het bestreden besluit is daarbij voldoende gemotiveerd.
Kan verweerder ambtshalve een verblijfsvergunning verlenen?
14. De rechtbank concludeert dat een beroep op een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez strikt betrekking heeft op het bevestigen van het bestaan van rechtmatig verblijf. Om deze reden moeten eisers een aparte aanvraag indienen indien zij beoordeeld willen zien of aanspraak bestaat op verblijf op grond van artikel 8 EVRM. Verweerder is dus niet gehouden (verplicht) dit ambtshalve te beoordelen.
15. In dit verband verwijst de rechtbank naar de door verweerder ter zitting genomen uitspraak van de Afdeling [5] , waarin is overwogen dat op grond van vaste rechtspraak afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 geen verdere strekking heeft dan het bevestigen van het bestaan van rechtmatig verblijf en dat een beroep op artikel 8 EVRM daarom niet kan leiden tot afgifte van dat document. Ook overweegt de Afdeling dat de rechtbank in die zaak terecht heeft overwogen dat, als de vreemdeling beoordeeld wil zien of hij aanspraak maakt op verblijf op grond van artikel 8 EVRM, hij een daartoe strekkende aanvraag moet indienen. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het beroep van eisers anders te oordelen hierover.
Conclusie
16. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen.
17. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
2.uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 10 mei 2017, ECLI:EU:2017:354 (Chavez-Vilchez)
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
4.Eisers wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 21 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:567).
5.uitspraak van de Afdeling van 16 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:790 r.o. 5.1)