ECLI:NL:RVS:2020:899
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking persoonsgegevens door gemeente Deventer
In deze zaak vordert appellant schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens door het college van burgemeester en wethouders van Deventer. De rechtbank had het college veroordeeld tot betaling van € 500,- immateriële schadevergoeding, omdat persoonsgegevens zonder toestemming waren gedeeld in een e-mail uit 2013.
Het college stelde in hoger beroep dat er geen causaal verband bestond tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade, en dat de bestuursrechter niet bevoegd was om over feitelijk handelen te oordelen. Appellant vond de toegekende vergoeding onvoldoende en eiste een hoger bedrag.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bestuursrechter bevoegd is om over schadevergoeding te beslissen indien de schade verband houdt met een besluit als bedoeld in artikel 34 Uitvoeringswet Pro AVG. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank omdat deze ten onrechte het besluit van 26 september 2018 had vernietigd en het verzoek om schadevergoeding had toegewezen.
De Afdeling stelde dat appellant onvoldoende concrete gegevens had aangeleverd om aannemelijk te maken dat hij immateriële schade had geleden die op objectieve gronden vast te stellen is. Het enkele noemen van naam en woonplaats in een e-mail aan ambtenaren was onvoldoende om een aantasting van de persoon aan te nemen. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
De uitspraak benadrukt dat de bestuursrechter nu vaker bevoegd is om over schadevergoeding te oordelen bij onrechtmatige gegevensverwerking, maar dat aan de voorwaarden van artikel 6:106 BW Pro moet worden voldaan voor toekenning van immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wegens onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van immateriële schade.