ECLI:NL:RVS:2020:2620
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar stichting tegen vergunning Reggae Lake Festival in Gaasperpark
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 25 juli 2018 een tijdelijke omgevingsvergunning aan Reggae Lake Festival B.V. voor het Reggae Lake Festival in het Gaasperpark, dat deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De stichting Natuurbescherming ZO maakte bezwaar tegen deze vergunning wegens aantasting van natuurwaarden, maar het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de stichting geen belanghebbende zou zijn. De rechtbank bevestigde deze beslissing, waarna de stichting hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de stichting voldoende feitelijke werkzaamheden had verricht ter behartiging van haar doelstelling, zoals vereist voor belanghebbendheid op grond van artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De stichting voerde aan dat zij wel degelijk relevante activiteiten ontplooide, waaronder het informeren via een weblog, het aanspreken van betrokkenen bij het park en het onderhouden van contacten. De Raad van State oordeelde echter dat het merendeel van de werkzaamheden van de stichting bestond uit het voeren van juridische procedures en daarmee samenhangende activiteiten, en dat het enkel in rechte opkomen tegen besluiten niet als feitelijke werkzaamheden geldt.
De Raad van State verwees naar eerdere uitspraken waarin was vastgesteld dat de stichting tot halverwege 2017 onvoldoende feitelijke werkzaamheden had verricht. Uit de overgelegde stukken bleek geen wezenlijke verandering in de aard van de activiteiten. De rechtbank had daarom terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebbendheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door het lid van de enkelvoudige kamer D.A. Verburg op 4 november 2020.
Uitkomst: Het hoger beroep van de stichting wordt ongegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belanghebbendheid.