ECLI:NL:RVS:2016:746
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak inzake intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling met strafrechtelijke veroordelingen
De staatssecretaris trok op 9 april 2013 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling in, legde hem een inreisverbod op en bepaalde dat hij Nederland onmiddellijk moest verlaten. De vreemdeling, die sinds zijn jeugd in Nederland verbleef, was onherroepelijk veroordeeld voor diverse misdrijven, waaronder diefstal, geweldsdelicten en drugsgerelateerde feiten.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de uitleg van het overgangsrecht bij wijziging van de Vreemdelingenwet per 1 juli 2012, waarbij intrekking van verblijfsvergunningen ook mogelijk werd bij eerdere langdurige verblijven.
De Raad van State oordeelde dat het nieuwe recht van toepassing is indien de vreemdeling na 1 juli 2012 opnieuw een misdrijf pleegde en daarvoor onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank had het overgangsrecht onjuist uitgelegd. Het beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning werd niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. De belangenafweging van de staatssecretaris werd als zorgvuldig en proportioneel beoordeeld, mede gelet op de strafrechtelijke geschiedenis en verslavingsproblematiek van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.