ECLI:NL:RVS:2016:279
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod wegens ernstige strafbare feiten en openbare orde
De staatssecretaris heeft op 13 augustus 2014 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken, hem onmiddellijk vertrek uit Nederland bevolen en een inreisverbod opgelegd. De vreemdeling verbleef sinds 1981 rechtmatig in Nederland en werd veroordeeld voor 85 misdrijven, waaronder ernstige gewelds- en vermogensdelicten.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep. De kern van het geschil betrof de uitleg van het overgangsrecht rond de wijziging van 1 juli 2012 in de Vreemdelingenwetgeving, die intrekking van verblijfsvergunningen ook mogelijk maakte bij langdurig verblijf.
De Raad van State oordeelde dat de gewijzigde regelgeving van toepassing is op de vreemdeling omdat hij na 1 juli 2012 opnieuw misdrijven pleegde en daarvoor onherroepelijk is veroordeeld. De belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro werd als zorgvuldig en proportioneel beoordeeld. Het beroep tegen het inreisverbod werd ongegrond verklaard, het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen intrekking verblijfsvergunning niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.