ECLI:NL:RVS:2016:3349
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid rechtbank inzake inreisverbod en verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 21 juni 2016 een besluit uit waarin een inreisverbod werd opgelegd aan de vreemdeling, samen met de afwijzing van diens aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het inreisverbod en stuurde het door als bezwaar naar de staatssecretaris. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het inreisverbod en de afwijzing van de verblijfsvergunning nauw met elkaar verweven zijn en dat het inreisverbod niet als een zelfstandig besluit kan worden gezien. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 15 februari 2016 werd daarbij betrokken, waarin werd vastgesteld dat een terugkeerprocedure kan worden onderbroken door een aanvraag tot internationale bescherming, maar hervat moet worden na afwijzing daarvan.
De Raad concludeerde dat tegen het inreisverbod dezelfde rechtsmiddelen openstaan als tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning en dat het beroep tegen het inreisverbod terecht als bezwaar is behandeld. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betalen van griffierecht.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de staatssecretaris af.