ECLI:NL:RVS:2012:BW9111
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inreisverbod wegens onvoldoende motivering en gebrekkig voorafgaand gehoor
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel vaardigde op 24 februari 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling nadat diens aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel was afgewezen en de vertrektermijn was verstreken. De vreemdeling stelde beroep in tegen dit besluit, dat door de rechtbank niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eerst bezwaar had moeten worden gemaakt. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het besluit van 2 januari 2012 tot afwijzing van de verblijfsvergunning als terugkeerbesluit geldt en dat het inreisverbod van 24 februari 2012 een zelfstandig besluit is waartegen rechtstreeks beroep openstaat. De rechtbank had ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift als bezwaarschrift doorgezonden.
Daarnaast stelde de vreemdeling dat de minister bij het opleggen van het inreisverbod onvoldoende rekening had gehouden met zijn individuele omstandigheden en dat hij niet adequaat was gehoord over de mogelijkheid tot verkorting van de duur van het inreisverbod. De Raad van State stelde vast dat het voorafgaande gehoor niet voldeed aan de vereiste waarborgen en dat de minister zijn beslissing onvoldoende had gemotiveerd.
Daarom vernietigde de Raad van State het inreisverbod en veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het inreisverbod van 24 februari 2012 wordt vernietigd wegens strijd met de Awb en onvoldoende motivering.