ECLI:NL:RBDHA:2016:4108
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Praamstra
- T. Pavićević
- M. Ferschtman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning en oplegging inreisverbod wegens geweldsmisdrijven en psychische aandoening
Eiser, van Liberiaanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en een inreisverbod van tien jaren opgelegd vanwege herhaalde veroordelingen voor ernstige geweldsmisdrijven. De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was tot deze maatregelen op grond van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit, mede gelet op de glijdende schaal van artikel 3.86 Vb.
Eiser voerde aan dat zijn psychische aandoening schizofrenie en zijn langdurig verblijf in Nederland, waar hij onder behandeling staat en door zijn vader wordt verzorgd, bijzondere omstandigheden vormden die een uitzondering op de toepassing van artikel 3.86 Vb rechtvaardigen. De rechtbank achtte deze omstandigheden onvoldoende om de intrekking en het inreisverbod te voorkomen, mede omdat de strafrechtelijke veroordelingen onherroepelijk zijn en eiser niet aannemelijk maakte dat zijn ziekte zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid uitsluit.
Verder stelde eiser dat er sprake was van een beschermenswaardig familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege de band met zijn vader. De rechtbank volgde verweerder in het oordeel dat geen sprake was van 'more than normal emotional ties' en dat ook het privéleven van eiser niet zodanig beschermd is dat het inreisverbod en de intrekking van de verblijfsvergunning onrechtmatig zijn. De belangenafweging leidde tot een fair balance tussen het belang van eiser en het algemeen belang van de Nederlandse samenleving.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard voor zover het gericht was tegen het inreisverbod en niet-ontvankelijk voor zover het gericht was tegen de intrekking van de verblijfsvergunning. De rechtbank wees ook andere beroepsgronden af, waaronder het ontbreken van een hoorprocedure en het beroep op humanitaire gronden en Europese richtlijnen.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk.