ECLI:NL:RVS:2008:BG7504
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste implementatie Richtlijn langdurig ingezetenen in nationale vreemdelingenwetgeving
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage die oordeelde dat artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van Richtlijn 2003/109/EG onjuist was geïmplementeerd in het nationale recht. De rechtbank vond dat de implementatie in artikel 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000 onvoldoende rekening hield met langdurige arbeidsverleden op basis van tijdelijke contracten, waardoor de Richtlijn haar nuttig effect zou verliezen.
De Raad van State oordeelt echter dat de implementatie in het nationale recht niet onjuist is. Het doel van de Richtlijn, te voorkomen dat onderdanen van derde landen ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel, wordt adequaat gediend door de vereisten in artikel 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Deze normen zijn niet kennelijk onevenredig en sluiten niet uit dat personen met een langdurig arbeidsverleden een verblijfsvergunning kunnen verkrijgen.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep gegrond. Het besluit van de staatssecretaris om de aanvraag van de vreemdeling af te wijzen wordt getoetst aan de juiste wettelijke normen. Tevens wordt geoordeeld dat het ontbreken van een arbeidscontract voor minimaal zes maanden doorslaggevend is voor het middelenvereiste en dat het arbeidsverleden geen aanleiding geeft tot afwijking van het beleid. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.