ECLI:NL:RVS:2016:2500
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding tewerkstellingsvergunningplicht voor Bulgaarse en Indiase werknemers
De zaak betreft het hoger beroep van een vennootschap tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland die een boete van €48.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) matigde tot €41.500. De boete werd opgelegd omdat Bulgaarse en Indiase werknemers zonder geldige tewerkstellingsvergunning arbeid hadden verricht.
De vennootschap voerde aan dat zij voor Bulgaarse werknemers geen vergunning nodig had omdat Nederland de Europese Commissie niet tijdig had geïnformeerd over de voortzetting van de vergunningplicht. Dit werd door de Afdeling verworpen op basis van correspondentie met de Europese Commissie. Tevens werd het beroep op het ne bis in idem-beginsel afgewezen omdat de vennootschap en een ander bedrijf afzonderlijke werkgevers zijn.
Verder werd het pleidooi dat de boete onredelijk hoog was en dat de minister niet bestaand beleid toepaste verworpen. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht de boete had vastgesteld en dat de vennootschap onvoldoende financiële gegevens had verstrekt om matiging te rechtvaardigen.
De Afdeling vernietigde echter het oordeel van de rechtbank dat de minister niet in de proceskosten van de appellant hoefde te worden veroordeeld en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank deels vernietigd voor proceskosten, boete bevestigd.