De rechtbank Noord-Holland behandelde op 3 december 2024 de beroepen van twee eisers tegen boetes van elk €4.750,- opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De boetes waren opgelegd aan twee verschillende rechtspersonen: een B.V. en een V.O.F., die feitelijk hetzelfde schoonmaakbedrijf exploiteerden. De rechtbank oordeelde dat hoewel het formeel om aparte rechtspersonen ging, de activiteiten feitelijk één onderneming betroffen met dezelfde personen achter de schermen.
De rechtbank verwierp het verweer dat sprake was van één overtreding en dat het ne bis in idem-beginsel werd geschonden, omdat de B.V. en V.O.F. verschillende juridische entiteiten waren met verschillende rollen in de keten en verschillende perioden van overtreding.
Desondanks vond de rechtbank dat de boetes te hoog waren gezien de overgangsfase en de feitelijke eenheid van het bedrijf. Daarom matigde zij de boetes met 50%, waardoor deze op €2.375,- per partij kwamen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.