Uitspraak
7.Het wettelijk kader luidt als volgt.
9.De rechtbank overweegt als volgt.
29.Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.
Rechtbank Limburg
Eiseres, een Roemeens transportbedrijf behorend tot een concern met een Nederlandse dochteronderneming, kreeg een boete opgelegd wegens het laten verrichten van arbeid door Roemeense chauffeurs zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Inspectie Leefomgeving en Transport constateerden meerdere overtredingen en stelden boeterapporten op.
Eiseres voerde aan dat zij geen effectieve verdediging kon voeren vanwege taalbarrières, dat het bewijs onrechtmatig was verkregen, dat het boeterapport onvoldoende gemotiveerd was en dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt. Ook stelde zij dat de boete disproportioneel was gezien haar financiële situatie.
De rechtbank oordeelde dat de boetekennisgeving in het Nederlands terecht was, dat het bewijs rechtmatig was verkregen binnen de toezichtfase, en dat het boeterapport voldeed aan de wettelijke eisen. Het ruime werkgeversbegrip in de Wav maakte eiseres aansprakelijk, ook al was zij in het buitenland gevestigd. De rechtbank verwierp het beroep op het Bourasse-arrest en de richtlijn over gehuurde voertuigen, omdat onvoldoende was onderbouwd dat de vrachtwagens volgens Roemeense wetgeving waren geregistreerd.
Ten slotte achtte de rechtbank de boete passend en matigde deze al van €240.000 naar €160.000. De financiële draagkracht van het concern als geheel werd betrokken, waardoor geen disproportionele last werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €160.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.